ABO fenotype, ABO bloedgroep, lange bloedgroep, korte bloedgroep, controlebloedgroep, Rhesus D fenotype, Rhesus D fenotype controle
Intern codenummer:
6000
Frequentie:
dagelijks
Uitvoerend labo:
Campus Rumbeke
Antwoordtijd (TAT):
routine: 24u/ prior: 1u
Verantwoordelijk bioloog:
Eline Verhoye
Afname van het materiaal
Toegelaten materiaal:
EDTA-tube
Volume:
1 EDTA-tube
Bijaanvraag/stabiliteit:
7 dagen bij 2-8°C
Analyse
Analysemethode:
Algemeen interpretatiestation
Domein:
Immunohematologie
Bijkomende informatie:
Het controlestaal moet genomen worden via een tweede, duidelijk aparte bloedname, met nieuwe controle van de identiteit van de patiënt.
De ABO-bloedgroep is de belangrijkste bloedgroep binnen de transfusiepraktijk en vormt de basis van de prétransfusietesten. De A-, B- en H-antigenen kunnen reeds worden aangetoond bij een embryo van 5 à 6 weken oud, maar zijn bij de pasgeborene nog onvolledig ontwikkeld, wat zwakkere reacties met standaardantisera veroorzaakt. Rond de leeftijd van 2 tot 4 jaar zijn deze antigenen volledig ontwikkeld. In de West-Europese populatie heeft 46,7% bloedgroep O, 41,8% A, 8,5% B en 3,0% AB.
Zowel bloedgroep A als B kent ondergroepen, waarbij die van B zeldzaam zijn. De belangrijkste A-ondergroepen zijn A1 (±80%) en A2 (±20%). Bij 1–8% van de A2- en 20–30% van de A2B-patiënten komen anti-A1-antistoffen voor, wat discrepanties kan veroorzaken tussen cel- en serumtesten en problemen kan geven bij de kruisproef. Daarnaast bestaan zwakkere A-ondergroepen (A3, Ax, …), waardoor A-erytrocyten die niet reageren met anti-A1 niet automatisch als A2 mogen worden beschouwd.
Het ABO-systeem is uniek omdat natuurlijke antistoffen aanwezig zijn bij personen die bepaalde antigenen missen. Deze IgM-antistoffen ontstaan vermoedelijk door immunisatie tegen darmflora-antigenen en zijn aanwezig vanaf ongeveer 3 maanden leeftijd. Pasgeborenen tot circa 6 maanden hebben zelf geen ABO-antistoffen; eventuele antistoffen zijn maternaal IgG en passeren via de placenta. Daarom wordt bij hen geen reverse grouping uitgevoerd. ABO-incompatibele transfusies kunnen leiden tot acute hemolytische transfusiereacties.
Naast het A- en B-antigeen is het D-antigeen van groot belang in de transfusiepraktijk. Het Rhesus-systeem omvat ook C, c, E en e. In tegenstelling tot ABO hebben Rh-negatieve personen normaal geen anti-D-antistoffen. Na blootstelling aan D-positieve erytrocyten ontwikkelt 85–90% van de D-negatieve patiënten anti-D, wat ernstige hemolytische reacties kan veroorzaken.
Er bestaan zwakke D-antigenen (kwantitatieve verschillen) en partiële D-antigenen (kwalitatieve verschillen, o.a. Tipett klasse I–VII). De meest voorkomende variant is klasse VI. Personen met een zwak maar volledig D-antigeen worden als D-positief beschouwd en vormen geen anti-D. Patiënten met een partieel D-antigeen kunnen wel anti-D-antistoffen ontwikkelen. De term Du is verlaten en vervangen door ‘zwakke D’. Dankzij gevoelige monoclonale anti-D-reagentia worden de meeste varianten als D-positief getypeerd, al worden sommige partiële D-antigenen niet gedetecteerd.
Het opsporen van D VI bij pasgeborenen is belangrijk. Indien een Rh-negatieve moeder een D VI-positief kind krijgt, kan zij anti-D-antistoffen vormen, wat bij een volgende zwangerschap kan leiden tot hemolytische ziekte van de pasgeborene.