Immunofixatie in urine

Print

Beschrijving van de test

Naam:
Immunofixatie in urine
Synoniemen:
U_IMFIX
Intern codenummer:
630
Frequentie:
dagelijks (weekdagen)
Uitvoerend labo:
Campus Rumbeke
Antwoordtijd (TAT):
max. 3 dagen
Verantwoordelijk bioloog:
Inge De Cuyper

Afname van het materiaal

Voorkeur materiaal:
urinestaal aliquot
Volume:
1 buis
Aanvraagformulier:
Afnameinstructies:
Bijaanvraag/stabiliteit:
3 dagen

Analyse

Analysemethode:
Capillarys Rumbeke
Domein:
Scheikunde
Bijkomende informatie:
Urine van gezonde personen bevatten vrijwel geen eiwitten omdat de glomeruli als 'zeef' fungeren. Verschillende factoren bepalen de graad van filtratie : moleculair gewicht van het eiwit, plasma concentratie, graad van reabsorptie in de tubuli, bloeddruk, fysische activitiet.
Verhoogde hoeveelheid eiwit in de urine kan onderverdeeld worden in :
- glomerulaire proteïnurie: ook wel albuminurie genoemd omdat vooral albumine in verhoogde concentratie voorkomt.
Deze proteïnurie is te wijten aan een verhoogde glomerulaire permeabiliteit (o.a. bij nefrotisch syndroom) : aanvankelijk wordt alleen albumine in verhoogde concentraties terug gevonden, later ook hoog moleculair gewicht eiwitten.
- tubulaire proteïnurie: deze vorm van proteïnurie wordt vooral gekenmerkt door het verschijnen van laag moleculair gewicht eiwitten in de urine (o.a. ?2-microglobuline, ?1- zuur glycoproteïne), te wijten aan een verminderde reabsorptie in de proximale tubuli.
- post-renale proteïnurie: te wijten aan abnormale secretie van eiwit in de urinewegen, onder de nieren.
- overload proteïnurie: te wijten aan hoge plasma concentraties van laag moleculair gewicht eiwitten.
Voorbeelden van overload proteïnuria zijn hemoglobinurie, myoglobinurie en Bence Jones proteïnurie. Bence Jones proteïnurie is te wijten aan hoge plasma concentraties van immuunglobuline lichte keten paraproteïnen.

Labo info:
1. Op het urinestaal wordt eerst de elektroforese-techniek toegepast op een alkalisch gebufferde agarose gel, en wel op die manier dat simultaan negen elektroforesesporen bekomen worden.
2. Na de elektroforese dient 1 spoor als referentie voor het elektroforetisch patroon van de urine-eiwitten. Op de resterende acht sporen wordt de immunofixatie-techniek toegepast met specifieke antisera.
* tubulaire eiwitten (?2 microglobuline, Retinol Binding Protein (RBP) en ?1 microglobuline)
* glomerulaire eiwitten (albumine en ?2 macroglobuline)
* zware ketens gamma, alfa en mu (trivalent antiserum)
* zware ketens delta en epsilon (bivalent antiserum)
* kappa vrij en gebonden lichte ketens
* lambda vrij en gebonden lichte ketens
* kappa vrij lichte ketens
* lambda vrij lichte ketens
3. Niet geprecipiteerde oplosbare eiwitten worden door wassen verwijderd.
4. De geprecipiteerde antigeen-antilichaam complexen worden door kleuren met zuurviolet gevisualiseerd. Overmaat aan kleurstof wordt met een zure oplossing verwijderd.

De acht banden worden vergeleken met corresponderende abnormale banden in het referentie elektroforetisch patroon en geïdentificeerd uitgaande van de al of niet reactie met de individuele antisera.

Tarificatie

Nomenclatuur:
543815 - 543826 B 700 Immunofixatie met een minimum gebruik van twee antihumane immunosera #(Maximum 1)(Cumulregel 51)
Bron: RIZIV website op 22/03/2026

Laatst gewijzigd op

Lien De Keyzer
07-03-2026