De bepaling van een infectie met het Cytomegalovirus bij immuuncompetente patiënten in het algemeen en in het bijzonder bij zwangere vrouwen, is serologisch.
Het is gebaseerd op de observatie van een seroconversie. Het is onmogelijk om in de aanwezigheid van CMV IgM antilichamen de datum van de infectie te bepalen. Daarbij is het ook niet mogelijk een onderscheid te maken tussen een primaire infectie van een reactivering, een herinfectie of een polyklonale infectie. Deze informatie is echter van essentieel belang bij prenatale diagnoses.
Het doel van de bepaling van anti-CMV-IgG aviditeit is het verkrijgen van een meer nauwkeurige diagnose en hierbij een primaire infectie met CMV te bevestigen of uit te sluiten.
De test vergelijkt twee teststrips waarbij aan één van de twee strips ureumbuffer wordt toegevoegd. Ureumbuffer heeft een groot effect op verbindingen tussen een antilichaam en een antigeen met een lage aviditeit, in tegenstelling tot verbindingen met een hoge aviditeit. De detectie van antilichamen met een hoge aviditeit wijst op een infectie die meer dan drie maand geleden heeft plaatsgevonden. Bij detectie van antilichamen met een lage aviditeit kan men een infectie van minder dan drie maand geleden niet uitsluiten.
Tarificatie
Nomenclatuur:
551331 - 551342 B 250 Opsporen van specifieke IgG antilichamen tegen cytomegalovirus #(Maximum 1) (Cumulregel 328) (Diagnoseregel 119) Bron: RIZIV website op 22/03/2026