screening voor t(9;22) BCR::ABL1 bij CML of ALL (diagnose)

Print

Beschrijving van de test

Naam:
screening voor t(9;22) BCR::ABL1 bij CML of ALL (diagnose)
Synoniemen:
Philadelphia translocatie, BCRABL
Intern codenummer:
diagnose ALL: 5747; diagnose CML: 5742
Frequentie:
2-wekelijks
Uitvoerend labo:
Campus Rumbeke
Antwoordtijd (TAT):
21 tot 35 dagen
Accreditatie:
AZ Delta is geaccrediteerd door BELAC onder certificaatnummer 382-MED.
Verantwoordelijk bioloog:
Barbara Depreter

Afname van het materiaal

Voorkeur materiaal:
staal voor moleculair onderzoek
Toegelaten materiaal:
Analyse gebeurt op EDTA-beenmerg en/of op EDTA-bloed.
Na afname staal gekoeld bewaren bij 2-8°C (verzending naar laboratorium mag bij kamertemperatuur).
Commentaar:
Moleculaire testen kunnen op verschillende materialen uitgevoerd worden. Zie afnameprocedure.
Volume:
1 tube
Aanvraagformulier:
Afnameinstructies:
Bijaanvraag/stabiliteit:
48

Analyse

Analysemethode:
CMD-PCR Rumbeke
Domein:
Moleculaire Hematologie
Bijkomende informatie:
In meer dan 95% van patiënten met chronische myeloïde leukemie (CML) wordt t(9;22) teruggevonden in de leukemische cellen. Deze translocatie resulteert in de aanmaak van het fusietranscript BCR::ABL1 en het corresponderende fusie-eiwit in de leukemische cellen. De translocatie wordt ook teruggevonden wordt in ongeveer 30% (20%-50%) van de acute lymfatische leukemiën (ALL) bij volwassen en in 2-10% van de ALL bij kinderen. Heel occasioneel wordt de translocatie ook teruggevonden bij acute myeloïde leukemiën (AML < 2%) of zelfs bij lymfoma's en myeloma's. Bij ALL is het voorkomen van t(9;22) prognostisch ongunstig. De aanwezigheid van deze translocatie laat toe om patiënten te behandelen met specifieke tyrosine kinase inhibitoren.

t(9;22) (q34;q11) is het resultaat van een uitwisseling van genetisch materiaal tussen chromosomen 9 en 22 (reciprocal translocation).Hierdoor ontstaat een fusie tussen de 3' sequenties van het tyrosine kinase c-ABL1 proto-oncogen gelegen op 9q34 en de 5' sequenties van het BCR gen gelegen op 22q11. Het resulterende fusietranscript wordt BCR::ABL1 genoemd.
Er zijn verschillende breekpunten mogelijk op beide chromosomen waardoor er verschillende fusietranscripten kunnen ontstaan met telkens een ander type van BCR::ABL1 fusie-eiwit tot gevolg. In CML zijn de breekpunten op chromosoom 22 beperkt tot het zogenaamde 'Major breakpoint cluster region' (M-bcr), kortweg Major genoemd (zie figuur). Het nieuwe fusietranscript geeft aanleiding tot een eiwit van 210 kDa dat p210 BCR::ABL1 wordt genoemd. Chromosoom 22 breekt na exon 13 of exon 14 en chromosoom 9 na exon 1 of exon 2, aanleiding gevend tot 4 verschillende mogelijke fusietranscripten: b3a2 komt voor in 55% van de t(9;22) positieve CML's, b2a2 in 40% terwijl b2a3 en b3a3 zelden voorkomen.

Bij 40% van de Philadelphia positieve ALL worden dezelfde moleculaire translocaties teruggevonden als bij CML, maar bij de andere 60% werd een tweede 'minor breakpoint cluster region' geïdentificeerd (m-bcr), Minor genoemd. Dit breekpunt is gelegen tussen de 2 alternatieve exonen en exon 2 op chromosoom 22. De breekpunten op chromosoom 9 (ABL1) zijn bijna alle gelegen tussen exon 1b en exon 2. Het meest voorkomende fusietranscript dat gevormd wordt is e1a2, terwijl e1a3 slechts sporadisch wordt teruggevonden. Het resulterende fusie-eiwit heeft een moleculaire gewicht van 190 kDa en wordt p190 BCR::ABL1 genoemd.

Testprincipe: RT-PCR analyse: RNA extractie uit de witte bloedcellen, gevolgd door cDNA synthese en kwalitatieve RT-PCR analyse waarbij aan de hand van de grootte van de PCR-producten het subtype van de translocatie kan bepaald worden. Deze test kan ook gebruikt worden ter kwalitatieve (minder gevoelige) opvolging van niet-e14a2/e13a2/e1a2 fusietranscripten.

Referentiewaarden

Leeftijd Mannen Vrouwen
Negatief Negatief

Tarificatie

Nomenclatuur:
588512 - 588523 B 3500 Opsporen van verworven chromosoom of genafwijkingen (met uitsluiting van immuunglobuline- of een T-celreceptorgenherschikking), door middel van een moleculair biologische methode : in de diagnostische investigatiefase van een chronische myeloproliferatieve neoplasie (Diagnoseregel 1, 8)
Bron: RIZIV website op 22/03/2026

Laatst gewijzigd op

Barbara Depreter
25-02-2026