D-dimeerbepaling dient te gebeuren samen met een klinische pretest probabiliteitsbepaling ter exclusie van pulmonaire embolen en als hulp bij diagnose van diepe veneuze trombose.
Patiënten met distale DVT kunnen een normale D-Dimeer gehalte hebben.
D-dimeren nemen toe bij zwangerschap en hogere leeftijd.
Door de bepaling van D-dimeren kunnen we cross-linked fibrine afbraakprodukten in plasma aantonen en aldus bewijzen dat er reactieve fibrinolyse heeft plaats gevonden. De bepaling is vooral nuttig om veneuze trombosen en longembolie uit te sluiten.
Plasmine kan zowel fibrine (fibrinolyse) als fibrinogeen (fibrinogenolyse) oplossen waarbij gelijkaardige afbraakprodukten worden gevormd:
* Wanneer trombine fibrinogeen omzet in fibrine activeert het tevens Factor XIII. Factor XIIIa stabiliseert fibrine door crosslinking van de gamma-ketens van fibrinogeen ter hoogte van het D-fragment. Dit gestabiliseerde fibrine wordt door plasmine opgelost (fibrinolyse) waarbij een unieke categorie fibrine afbraakprodukten ontstaan die het crosslinked deel bevatten dat D-dimeer fragment wordt genoemd.
* Bij de fibrinogenolyse (oplossen van fibrinogeen door plasmine) bevatten de ontstane afbraakprodukten geen crosslinked D-dimeer fragment.
Referentiewaarden
Leeftijd
Mannen
Vrouwen
<500 ng/mL
<500 ng/mL
Tarificatie
Nomenclatuur:
554455 - 554466 B 400 Doseren van D-Dimeren #(Maximum 1) (Cumulregel 106) (Diagnoseregel 83) Bron: RIZIV website op 22/03/2026